Hierdie is die LitNet-argief (2006–2012)
Besoek die aktiewe LitNet-platform by www.litnet.co.za

This is the LitNet archive (2006–2012)
Visit the active LitNet platform at www.litnet.co.za


 
Leefstyl | Lifestyle > Geestelik | Spiritual > Artikels | Features

God terug in de Nederlandse letteren: een roman die staat als een bijbel


Hendrik-Jan de Wit - 2006-09-07

Jan Siebelink: Knielen op een bed violen. Roman. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005. ISBN: 90 234 1665 1. Prijs: 19,90 euro. 446 pagina’s.

Het zwarte gereformeerde geloof was eigenlijk uit de Nederlandse literatuur verdreven. Een schrijver als Maarten ’t Hart verruilde zijn bijterige en vinnige spot uit de jaren zeventig voor een valse nostalgie naar vervlogen tijden waarin de Statenvertaling nog gelezen werd en de bomvolle kerk luid de psalmen in oude berijming zong. Zo slecht was het niet, schreef Maarten ’t Hart in zijn laatste roman Lotte Weeda alsof hij de eerdere calvinistische ellende voor niks aan het papier had toevertrouwd (zie mijn recensie).

Jan Siebelink blaast het voorbije genre van de gereformeerde roman nieuw leven in, compleet met de psalmen op hele noten, namen van zestiende-eeuwse bekeerlingen en het lezen van preken aan de eetkamertafel op zondagmorgen. Siebelink geeft het zware en zwarte geloof een nieuwe dimensie met zijn roman Knielen op een bed violen. Het is een verhaal over religie met de ingrediënten calvinisme en zwaarmoedigheid van de uitverkiezing.

Siebelinks boek is ongewoon populair bij het grotere publiek. De roman haalde de populistische AKO-literatuurprijs 2005 en staat nu op een andere nominatielijst: de Librisprijs. Jan Siebelinks roman bezit namelijk alle zwaarmoedigheid die een boek kan zitten. Geloof, hoop en liefde, het is de heilige drie-eenheid aan voedingsstoffen die een verhaal tot een oer-Hollandse stamppot maken.

Moerassig geloof
De oorzaak van het zware geloof ligt bij de armoede. Het Gelderse dorp Lathum is wel zo arm, dat haar bewoners wel in een zwaar gereformeerd geloof moeten vervallen. Zo redeneert de verteller van Siebelinks roman Knielen op een bed violen in zijn proloog. In het Nederlands rivierenlandschap de Liemers, dat je doorkruist als je Nederland vanuit Duitsland over de A12 binnenrijdt, komt de kool moeilijk uit de grond. De mens moet hier een godvruchtig leven leiden, voert de verteller aan als excuus voor zijn verhaal:

Zo brengt de aarde je vanzelf, maar heel geleidelijk, de diepte in. (9)
Deze zinsnede zo aan het begin van de roman, verwijst eveneens naar de relatie van de lezer met de roman. Langzaam wordt de lezer door de verteller het verhaal ingezogen, als de moerasgrond van de Liemers waar je ook niet meer uitkomt. De Veluwezoom, de ‘golvende meestal blauwe streep vlak boven de dijk’, is als het beloofd land. ‘Daar komen ze slechts om een bruidsjurk of een trouwpak te kopen.’

De roman behandelt de levensgeschiedenis van Hans Sievez. Het is een chronologisch verteld verhaal van de wieg tot het graf. Hans Sievez wordt geboren in Lathum. Hier komt hij in aanraking met het strenge geloof. Een religie die de kerk te licht vindt en waar zijn vader door bevangen wordt. Als zijn moeder overlijdt en hij merkt dat het juk van zijn vader te zwaar is, vlucht Hans Sievez naar Den Haag waar hij het vak van bloemenkweker leert. Later vestigt hij zich enkele kilometers van zijn geboortegrond in Velp, het beloofde land: de Veluwezoom. Daar trouwt hij Margje, krijgt kinderen en begint een eigen bloemenkwekerij.

Het leven als zelfstandige valt hem zwaar. Hij wordt niet alleen door de concurrentie op de hielen gezeten, het geloof achtervolgt hem ook als een satan. Zijn vriend Jozef Mieras die hij in de bloemenkwekerij in Den Haag ontmoet, heeft een negatieve invloed op hem. Hans wil van de godsdienstwaanzinnige af, maar Jozef Mieras weet hem overal te vinden. Zelfs als Hans Sievez een veilig nestje heeft gebouwd in Velp, zoekt Jozef Mieras hem in het geniep op.

Jozef is niet alleen, hij neemt een keur aan vrienden mee. De hervormde kerk in het dorp mag niet meer bezocht worden van Hans. Er worden thuis bijeenkomsten gehouden, die tegen het bespottelijke aangrenzen. Margje en de kinderen krijgen de vreselijkste preken voorgeschoteld uit de beduimelde boeken van Hans. Het geloof krijgt de hoofdrol in Knielen op een bed violen. Hans Sievez wordt overvallen door het zware geloof van verkeerde vrienden die hem in hun religie zuigen. Speciale bijeenkomsten in afgelegen schuurtjes krijgen vat op de hoofdpersoon. En dat allemaal slingert Hans Sievez en zijn gezin tussen hoop en vrees.

Noodlot
Het geloof overvalt Hans, suggereert de verteller. Het is een noodlot en geen vrije keuze. Hij kan geen ‘nee’ zeggen tegen de opdringerige gelovigen die zijn kwekerij in Velp hebben ontdekt. Jozef vindt hem weer en verkoopt allerlei boeken met bekeringsgeschiedenissen en oude preken aan Hans waar hij exorbitant hoge prijzen voor neerlegt. De zaken in de bloemen komen moeilijk op gang en het geld is juist hard nodig om het gezin van levensonderhoud te kunnen voorzien.

Hans Sievez kan de uitverkiezing niet ontlopen. Het grijpt hem vast en laat hem niet meer los. Zijn vriend Jozef Mieras kiest hem als een Jezus die zijn volgelingen aanwijst, zo pakt hij de bloemenkweker Hans Sievez. ‘Wil ik dat eigenlijk wel?’ vraagt de hoofdpersoon zich af, maar hij wordt meegetrokken. God kiest Hans Sievez uit en geeft hem de opdracht ‘Wees voortaan mijn knecht.’ Het is een bijzondere bekering, iets onoverkomelijks dat de verteller in het verhaal brengt. Hans Sievez kan de uitverkiezing niet ontlopen.

God verschijnt aan hem als een donderslag bij heldere hemel. Het doet denken aan de bijzondere bekering van zijn vader in de varkensstal, waarbij God sloeg. Hier voegt de verteller een mooi parallellisme in het verhaal. Geloof zit in de genen, lijkt de boodschap te zijn. Hans krijgt eveneens een dreun van de almachtige buiten bij het zonnebloemenveld als hij A Kempis’ Over de navolging van Christus zit te lezen.

Hij werd opgenomen als een door de wind meegevoerd blad en naderde de donkerheid waarin God was. In die donkere stilte de vuurkolom. Die het uitverkoren volk ’s nachts bijlichtte in zijn tocht door de woestijn en in de vuurkolom een stem. Die Stem. (170)
De gebeurtenis is voor de Velpse bloemenkweker genoeg om zijn leven ten dienste te stellen aan de allerhoogste. Hans’ vrouw Margje kijkt machteloos toe en voelt haar man langzaam van haar wegvallen. Het wegsturen van de predikende mannen op de zondagmorgensessies helpt niet. Ze keren als wespen op een boterham met jam terug. Daar is niks tegen opgewassen, zelfs het vertrek van zijn geliefde Margje helpt niet.

Zijn vrouw verwijt hem een gelovig leven te leiden zoals zijn vader dat leidde. Het leven waar Hans zich zo tegen afzette. Hier klinkt het soort idee dat geloof aangeboren is en dat daar niet van los is te komen. De religie vervult bij Siebelink de noodlotgedachte uit de naturalistische roman van negentiende eeuw. Hans overkomt het geloof, hij is er weliswaar gevoelig voor, maar krijgt de voeding van vrienden waar hij zich niet van kan losmaken. De werkelijke reden van zijn geloof zijn de genen, die hij van zijn vader geërfd heeft.

Miskend
De verteller schaart zich achter de mening van Margje. Ze komt dan wel weer terug en Hans gaat op haar voorwaarden in, maar al spoedig keren de ‘mier’ en consorten terug. Het geloof is voor Hans belangrijker dan zijn gezin en in het bijzonder zijn tweede zoon Tom. Hij hoopte dat God hem een meisje zou schenken, maar het is een jongen. Hij verwaarloost de relatie met de jongen. Tom keert zich af van het geloof en vervult in de roman de rol van plaaggeest. Tom zuipt, vloekt en hoereert wat af in het verhaal. De oorzaak ligt in het moment dat Hans Sievez het geloof verkiest boven zijn zoon. Hij krijgt het verwijt naar zijn hoofd geslingerd door een dronken Tom. De jongste zoon voelt zich miskend en verwaarloosd door zijn vader, klinkt door de dronkemanstaal heen.

‘Dat moet je toch niet vergeten zijn, vadertje, ik op mijn driewielertje achter jou aan sjezend. Je had haast. Je negeerde mij. […] Je hoorde niets, zag niets, begon nog harder te lopen. En ik maar trappen om je bij te blijven. Je keek niet op of om, ik raakte achterop. […] Je begon te rennen alsof de dood je op de hielen zat. Waar dacht je aan? Aan een ding: jouw ziel moest gered. Je moest naar zo’n verdomde dienst. God zag jou en Hij zag dat je het goed deed. De beloning zou voor eeuwig zijn. Alles draait om jou. Om jouw zogenaamde uitverkiezing, jouw redding. Waarvan? Er is niks te redden hier. Je bent een egoïst. […] Ik heb een vader die gered wil worden. Of anderen eeuwig branden, snakkend naar een druppel water, maakt niet uit. Hij heeft een stem gehoord, wij niet.’ (397-398).
Hier treft Tom zijn vader: voor Hans Sievez is het geloof belangrijker dan zijn gezin. Hij laat hiervoor alles gaan en vergeet de mensen die van hem houden.

De bijbel
Knielen op een bed violen is een roman die staat als een bijbel. De zorgvuldig geconstrueerde opbouw, in zeven delen verdeeld over twee boeken, opgedeeld in 84 hoofdstukken. Deze zorgvuldigheid is wat minder goed terug te vinden in het verhaal zelf. Er liggen wat losse eindjes die sterker benadrukt hadden mogen worden. Zoals de astma van Hans, die langzaam verdwijnt in de loop van het verhaal en die aan het einde zelfs helemaal verdwenen is, lijkt het. Hans begint bij het werk in de kas te roken en dat zou veel extra benauwdheid moeten opleveren, maar het gebeurt niet.

De treffende couleur locale aan het begin van de roman klinkt prachtig, compleet met mooie beschrijvingen, maar de verteller grijpt er niet op terug in de epiloog. Net als de schitterende natuurbeschrijvingen in het eerste deel van het moeras waarin de jonge Hans een leegstaande veenhut als schuilplaats betrekt, compleet met de zuring die wuift op de wind. In het latere gedeelte van de roman verdwijnen deze beschrijvingen en treedt de duistere rede in. Geloof is niet uit te drukken in beelden. De taal wordt de taal van de bijbel en verliest de beeldspraak van het begin van de roman. Het verhaal wordt steeds meer verteld in plaats van dat het verhaal zichzelf vertelt in schitterende beschrijvingen.

Het zijn losse eindjes die de roman iets menselijks en knulligs meegeven. Het geeft Knielen op een bed violen iets onvolmaakts. De overbodigheid van verhaalelementen die niet meer aangehaald worden en vergeten worden door de verteller. Het doet ergens sterk vermoeden dat zoon Ruben de verteller is. Hij maakt hiermee een verhaal dat uitblinkt in eenvoud, maar dat wel iets bovenmenselijks in zich had mogen hebben.

De vele valse voorbodes die op onheil lijken te wijzen en de straffen die geen straffen zijn. Zoals de wind die de kassen verwoest, terwijl Hans kort tevoren de verzekering opgezegd heeft. God wikt en beschikt, maar het alles heeft nauwelijks consequenties voor de familie en de verteller maakt het zich makkelijk af door een nieuw deel te beginnen en aan de ramp slechts een enkele zin te wijden.

Van het bedrijf dat hem altijd leverde had hij voor niets licht beschadigd, afgeschreven glas gekregen. De gemeente had uit een noodfonds tweeduizend gulden bijgedragen om jong plantgoed aan te schaffen. Met Gods hulp was hij er weer bovenop gekomen. (235)
Onacceptabel voor een lezer, een dergelijke goedkope afwikkeling van een grote spanning die de verteller eerder zorgvuldig opbouwt. In Knielen op een bed violen accepteert de lezer het zonder mokken. Onvolmaakte eindjes en milde straffen, het mag allemaal in deze roman. God is hier degene die bepaalt hoe het verhaal loopt. De verteller en de lezer zullen hieraan moeten geloven.

Geloof, hoop en liefde, het zijn de thema’s waar menig schrijver over gestruikeld is en de andere helft van de schrijvers zich niet durft te wagen. Waarschijnlijk is het Siebelink gelukt door eenvoudig te blijven en het thema op een bijna knullige wijze te brengen. Het maakt Knielen op een bed violen in elk geval tot een oer-Hollands en bijna onvergetelijk boek. Al was het vanwege de onmogelijke combinatie van bloemen met strenge religie. Twee grootheden die niet bij elkaar horen, maar in Knielen op een bed violen prachtig samensmelten als twee geliefden.

Seks
Seks en geloof vermengen zich op een wonderbaarlijke manier bij Hans Sievez. Het zijn niet twee gescheiden werelden, maar ze smelten samen in de roman. Zo is Hans aanwezig bij een kerkdienst, ergens verstopt in een schuurtje belijden de gelovigen hun bijzondere relatie met God. Hans’ gedachten zinken weg. Hier vermengt de verteller seksualiteit met geloof op een bijzondere wijze.

De dienst vanavond in Zwartsluis was troostrijk geweest. ‘Uw stok en uw staf die bewaren mij,’ was de tekst vanavond. Hij had Gods aanwezigheid ervaren, was onder de vlammende woorden in een wonderlijke verrukking geraakt, was het rechthuis ingeleid, het wijnhuis. Verrassend was dat hij onder de zaligmakende prediking aan Margjes benen moest denken. Meegevoerd door de stroom heilige woorden zag hij haar op het grasveld achter het huis in de blauwe ligstoel, de slanke benen over elkaar geslagen en ontbloot tot aan de grens waar de schemer begon. Een van de voeten bewoog op en neer. Haar witte sandaal bungelde aan een teen. Hij knielde om de gave benen te strelen, greep de bewegende voet bij de enkel om die op te tillen, naar zich toe te trekken. Zij, met verzaligde ogen, spreidde haar benen. Margje toegeeflijk heet. (312)
Het geloof mixt hier met hete seksuele fantasieën. Als hij thuiskomt, knielt hij neer, de handen gevouwen op de keukenstoel, en bidt een vroom gebed. Hij wordt afgewezen door zijn vrouw, die niet die band met God voelt zoals Hans Sievez die heeft. ‘Hou je nog wel van mij,’ vraagt ze hem.
‘Toen je vanmiddag wegging, keek je naar me alsof je even vergeten was wie daar voor je stond. Ja, dat was ik. […]. De laatste tijd heb ik het gevoel al terug te kijken op een ander leven, maar het is allemaal zo geleidelijk gegaan dat ik niet kan zeggen waar het ene leven begonnen is en het andere ophield. […]. Je was blij met me. Hans, laat die kerels toch! Gooi die vieze, oude boeken weg. Ik zie je de straat aflopen en ben nog trots op je ook. Ik ben al zover met je meegegaan…’ (315)
Het baat niet. Hans Sievez blijft tot aan het sterfbed voor ‘die kerels’ kiezen. De mannen van de ‘vieze, oude boeken’ halen zijn vrouw en kinderen zelfs weg van de stervende Hans Sievez. Pas na zijn sterven is haar man van Margje, verzucht ze kort na zijn overlijden.
Ze wendde haar blik naar haar dode man en dacht: Nu is hij van mij, sloeg haar arm om Tom heen, keek van Ruben naar Johanna aan weerszijden van het bed, en zei: ‘Nu is hij van ons, en wij bepalen zelf wat op de steen komt te staan.’ (443)
Zelfs dan laten de kerels haar en haar overleden man niet met rust, want Jozef Mieras stuift nog snel de kamer binnen om te zeggen dat Hans ‘niet de eerste de beste’ was. Het tekent het einde van een roman die ‘niet de eerste de beste’ is.