Hierdie is die LitNet-argief (2006–2012)
Besoek die aktiewe LitNet-platform by www.litnet.co.za

This is the LitNet archive (2006–2012)
Visit the active LitNet platform at www.litnet.co.za


 
Taal | Language > Nederlands | Dutch > Recensies

Het verhaal zonder einde: Requiemroman Tonio van A.F.Th. van der Heijden is zo afschuwelijk dat het daarmee mooi is


Hendrik-Jan de Wit - 2011-07-21

Tonio, Een requiemroman
A.F.Th van der Heijden
Uitgever:
De Bezige Bij, Amsterdam
ISBN: 978 90 234 5954 5
Prijs: € 23,50
Pagina's: 640




Van der Heijden houdt alles zorgvuldig en gedetailleerd bij in zijn dagboeken. De dagboeken vormen de basis van zijn oeuvre. Veel elementen uit zijn oeuvre laten zich herleiden tot de dagboeken. Ze zijn de bron van zijn literaire werk. Zoveel werd mij wel duidelijk bij het lezen van zijn nieuwste roman Tonio. Het is een requiemroman over zijn zoon die vorig jaar op de vroege ochtend van de eerste pinksterdag verongelukte.

A.F.Th van der Heijden is de grote chroniqueur van de Nederlandse letterkunde. Beschreef hij in de romancyclus De tandeloze tijd de onrustige jaren ’80, in de nieuwe romanserie die de naam Homo duplex draagt, behandelt hij de laatste jaren van het het eerste decennium van het nieuwe millenium.

Ik kwam pas op de hoogte van dit grote drama bij het lezen van de aankondiging van deze roman. Ik was flink van slag van dit bericht en dacht terug aan de presentatie van Engelenplaque in 2003 waarbij ik Tonio samen met zijn vader Adri en zijn moeder Mirjam Rotenstreich had gezien. Ik ontmoette de familie bij de presentatie van 250 fragmenten uit de dagboeken van Van der Heijden in de tuin van uitgeverij De Arbeiderspers. Later besprak ik het boek voor LitNet in de recensie ‘Onderwijl verging de tijd’. Ook daarin merkte ik op dat de dagboeken de basis vormen voor Van der Heijdens fictie.

Computercursus
Bij het lezen over de dood van Tonio moest ik ook gelijk denken aan een interview dat Van der Heijden jaren geleden een keertje gaf voor de boekensite van het NRC. De serie op internet ‘zie de schrijvers werken’ toont een foto van Van der Heijdens werkkamer. De grote romans worden op deze vierkante meters geschreven. Op de tafels staan meerdere schrijfmachines. Ja, zegt Adri van der Heijden ergens in het interview, binnenkort zou zijn zoon hem leren hoe de computer werkte. De computer was al aangeschaft, maar nog niet gebruikt. De cursus van zijn zoon zou nog komen.

De cursus heeft nooit plaatsgehad. Dat vertel Van der Heijden in Tonio. Aan het cursusgeld dat hij tot 2 keer toe aan zijn zoon betaalde, kon het niet liggen. De schrijver zag het moderne apparaat gewoon niet zitten. Daarom schreef hij nog altijd op zijn elektrische schrijfmachine en kopieerde passages die hij in een andere volgorde had geknipt en geplakt op het kopieerapparaat in zijn schrijfkamer. Enorm ouderwets vond Tonio, maar hij kon zijn vader  er niet van af brengen. Het cursusgeld hield hij. Net als dat hij de Apple computer langzaam naar zijn kamer verhuisde. Het was zonde dat daar niks mee werd gedaan. Aan hem lag het niet dat de cursus niet werd afgenomen. Dat lag aan de cursist. Hij maakte geen gebruik van de mogelijkheid.

Nu is de muze dood. Verschrikkelijk. Erger dan de ergste nachtmerrie. Een groot verlies, want het jong is veel te jong heengegaan. Het gevoel van de jongeling die veel te vroeg sterft, bekruipt me al als ik een jong vogeltje dood zie liggen op straat. De meesjes die een paar weken geleden uitvlogen, gaven mij die angst. Al die moeite voor niks. Het jonge leven dat nooit tot bloei mocht komen. Kansloos ten prooi gevallen aan de dood.

Zijn het voor de meesjes de eksters, katten en kauwtjes, voor Tonio was het een auto. Terug van een avondje stappen, moest hij zin hebben gekregen in een broodje döner kebab. Vlakbij de ingang van het Vondelpark, op de hoek van de Hobbemastraat en de Stadhouderskade, gebeurde het ongeluk. Tonio werd geschept door een rode Susuki Swift.

Rode Susuki Swift
Details waar Van der Heijdens werk om bekend staan druppelen ook het requiem voor zijn zoon binnen. De Susuki Swift was niet alleen de auto van de aanslag op Koninginnedag 2009 in Apeldoorn. Van der Heijden zou vanaf die eerste pinksterdag voor 100 dagen gaan werken aan zijn nieuwe romanproject voor de Homo duplex. In deze roman over de moord op een Amstelveense politieagente zou een rode Susuki Swift een rol gaan spelen.

De requiemroman Tonio zit boordevol met dit soort informatie. Overal legt Van der Heijden verbanden. Niet alleen met de werkelijkheid, maar ook met zijn werk zelf. Je zou het op kunnen vatten als tekenen, maar voor Van der Heijden telt dat niet. Hij ziet ze voornamelijk achteraf. Zoals bij de maagproblemen die op die Pinkstermorgen opspelen, als Van der Heijden het nog niet weet. Precies dezelfde problemen die de geboorte van zijn zoon inluidden, 21 jaar eerder.

Aan de hand van de maagproblemen vermengt Van der Heijden de dood van zijn zoon met diens geboorte. Hij doet dit zo overtuigend dat je als lezer helemaal meevoelt. Ook bij de geboorte is het balanceren op de rand van leven en dood. Als Adri en Mirjam, opgehaald door 2 agenten in een politiebusje bij het AMC arriveren, denken ze terug aan de geboorte. Weliswaar in een ander ziekenhuis, het Slotervaartziekenhuis, maar voor Van der Heijdens verhaal maakt dat niet uit. Zelfs de rit naar het ziekenhuis met de agenten mixt Van der Heijden met de rit destijds naar het ziekenhuis met de verloskundige.

Tonio ligt nog op de operatietafel als de ouders arriveren. Mirjam weet het zeker. Haar zoon gaat dood. Ze is ervan overtuigd en uit dat verdriet ook. Terwijl ze in de hal van het ziekenhuis op meer berichten wachten, laat Van der Heijden de herinneringen passeren. De geboorte, Tonio als klein kind en de laatste dagen. Het verhaal begint met de naam van Tonio. Zijn naam is daarmee een leidmotief in de roman. Dat gebeurt al op de eerste pagina. Daar schreeuwt de verteller het uit: ‘Tóóóóóóó-nííí-ióóóóó...!’ De naam die hij nooit meer los kan zien van de herinnering aan het leven dat door de dood bruut is afgesneden.

Thomas Mann
De keuze van de naam is bepaald doordat Mirjam ten tijde van de zwangerschap druk in de weer was met een scriptie voor haar studie Nederlands. Ze vergeleek in die studie Thomas Manns novelle Tonio Krüger met de roman Geur der droefenis van Alfred Kossmann. Het kon niet anders dan dat het kind, als het een jongetje zou worden, die naam zou krijgen: ‘Steeds weer die rondklankige naam: ‘... zoals in Tonio Krüger staat...’’

Daarmee krijgt Thomas Mann ook een plek in de requiemroman. Bijna terloops merkt Van der Heijden iets op uit leven van Thomas Mann. Het is na de begrafenis van Tonio als hij het vertelt. De zoon Heinrich Mann pleegde zelfmoord en de Duitse schrijver die op dat moment op tournee was door Scandinavië, weigerde zijn toer af te breken om naar de begrafenis van zijn zoon te gaan in Cannes. Voor Van der Heijden reden om de schrijver die altijd een god voor hem was geweest na het lezen van dit biografische feit, nooit meer te lezen. Deze vorm van verraad was onacceptabel. Maar nu voelt Van der Heijden de twijfel opkomen kort na de begrafenis van zijn zoon:

‘Ik had zojuist mijn zoon begraven. Maar was ik er ook bij aanwezig geweest?’ (271)

Die vermeende afwezigheid staat misschien wel aan de kern van de roman. De dood van Tonio heeft namelijk grote gevolgen voor Van der Heijden. Hij verliest niet alleen zijn kind, hij verliest ook zijn muze. Dit heeft consequenties voor zijn werk. Die gewaarwording komt ook op bij de schrijver gedurende het verhaal. De dood van zijn zoon houdt hem af van het werk aan de roman over de moord op de politieagente. Het brengt hem zelfs tot een nieuwe klus: een requiem voor zijn zoon. Hij ervaart dat het schrijven op het moment zelf veel oproept. Maar tegelijkertijd kan hij het niet loslaten. Hij is het verplicht aan zijn muze. Ook is hij het verplicht aan zichzelf.

Herinnering staat in de weg
De muze is dood. Van der Heijden heeft geen doel meer om te schrijven. Hij maakt dit requiem hoe dan ook af. Rauw en zonder zichzelf te ontzien. Deze requiemroman is op geen enkele wijze een eerbetoon aan het leven. Daarvoor staat het ruw afgebroken jonge leven de herinnering teveel in de weg. Het is een bijtend verhaal geworden waarin het verlangen naar zijn jongen en de schuld die hij aan zijn dood heeft centraal staan.

Tegelijkertijd laat de muze hem een adembenemend werk uit de handen vloeien. Het verdriet, de pijn en het schuldgevoel druipt van de bladzijden af. Dat maakt het werk misschien extra schrijnend. Deze requiemroman behoort ongetwijfeld tot het mooiste werk dat ik van Van der Heijden las. Toch is het offer, de dood van zijn zoon, veel te groot voor dit mooie werk. Je kind is je meer waard dan het mooiste boek te schrijven. Maar het gebeurt hier wel. Of zoals Van der Heijden het zelf verwoordt: hij schrijft niet een requiem over Tonio, maar voor Tonio:

Ik schrijf het in de eerste plaats voor jou. Nee, niet voor je zielenrust. Ik hoop juist de aandacht van je ziel te trekken. Hij moet verontrust raken. Via hem wil ik je laten weten dat de pijn die jij een half etmaal lang ondergaan hebt, door ons is overgenomen. Levenslang. Niks rust zacht. In die pijn zijn we voortaan verenigd. Jij, Mirjam en ik. En mocht de ziel bestaan, ook de onze, dan komt met ons sterven aan die vereniging geen einde. (516)

Met het schrijven probeert Van der Heijden zo dicht mogelijk bij zijn zoon te komen. Met het requiem wil de verteller zijn zoon weer tot leven wekken. Het onderwerp waarover hij schrijft is een soort pikzwart wonder dat op zijn weg is gekomen. Iets eenmaligs. De schrijver probeert dit op te lossen zoals hij tot nog toe alles in zijn leven heeft opgelost: door erover te schrijven. Alleen laat het leven van zijn zoon zich niet in een roman vatten. Het verhaal is aan het einde niet af. Zijn zoon leeft niet voort, maar aan het einde staat de leegte van het niet leven.

Reconstructie
De reconstructie van Tonio’s laatste fietsroute door Amsterdam voert Van der Heijden overtuigend uit. Hij gaat terug naar de avond voorafgaand aan het fatale ongeluk. Hij doet dit op basis van de verhalen die Tonio’ s vrienden hem verteld hebben. Deze verhalen lees je al eerder. Ze geven een overtuigend beeld van twee ouders die op zoek zijn naar de laatste momenten dat hun kind nog leeft. De reconstructie die Van der Heijden vervolgens maakt, is overweldigend.

De laatste fietstocht van zijn zoon verwoordt Van der Heijden tot uit het diepste van zijn vezels. De schrijver kruipt hiervoor in de huid van zijn zoon. Ook hier vermengen de wensen van de verteller met de hardnekkige en onontkoombare feiten. Waarom sla je bijvoorbeeld niet af naar het huis van je ouders, zo smeekt de verteller bijna. ‘Slaap morgenvroeg zo lang uit als je wilt. Mama maakt een fantastisch pinksterontbijt voor je.’ (521)

Hier spreekt ook het schuldgevoel van Van der Heijden uit. Hij vindt dat hij het ongeluk had moeten kunnen voorkomen. Deze wens om Tonio naar zijn ouderlijk huis te lokken, terwijl de jongen al twee jaar op kamers woont, staat hier symbool voor. Alsof zijn zoon op zijn laatste fietstocht door het Amsterdam van de Pinkstermorgen een personage is. Van der Heijden heeft geen vat op het verhaal van zijn zoon. Maar de reconstructie is de wrange tegenstelling van het romanpersonage dat op zijn dood afstevent en de verteller die alles wil doen om dit tegen te houden.

Weghouden van fatale plek
Elk huis dat Tonio langsfietst, elke straathoek, bevat een herinnering. Maar ook een poging om Tonio weg te houden van de fatale plek, iets verderop. Van der Heijden zoekt ondertussen naar een verklaring waarom zijn zoon afwijkt van de normale, logische route naar huis. ‘Als hij, ditmaal gericht en krachtig de Jan Luijkenstraat in rijdt, weet ik opeens wat hem bezielt.’ Het is de trek in een broodje döner kebab die indirect voor zijn dood heeft gezorgd. Op weg naar het Leidseplein voor een snack om de nachtelijke honger te stillen. De verteller schreeuwt het uit:

‘Nee, ik neem alle schuld op me. In je grondwaterdiepe, ademloze slaap maak je mij geen verwijten. Je roerloosheid zelf vormt één grote beschuldiging aan mijn adres, ook zonder dat je dat wilt, want je hebt niks meer te willen. Je dood vertelt de waarheid over mijn in gebreke blijven. Je dood is de opstelsom van mijn nalatigheden. Ik laat de mogelijkheid open dat je dood het gevolg is van die ene nalatigheid - geen idee welke, wat het allemaal nog erger zou maken.’ (530)

Van der Heijden laat alles zo treffend samenvallen. Het leven is een roman, lijkt dit requiem te willen zeggen. Zo loopt Van der Heijden vlak na de geboorte door Amsterdam als het Nederlands elftal gehuldigd wordt voor de overwinning van het EK in 1988. In juni 2010 gaat hij samen met Mirjam de stad in om onopvallend naar het punt te kunnen gaan waar Tonio is verongelukt. Ze doen dit op het moment dat het Nederlands elftal feestelijk gehuldigd wordt voor de tweede plaats van de WK-finale. Hierin verloor de nationale voetbalploeg jammerlijk van de Spanjaarden. Voor Adri en Mirjam is het de reden om naar de onheilsplek te gaan. Zo ziet de feestende menigte niet dat ze verdriet hebben om hun zoon.

Robin van Persie
De tocht door de stad heeft veel verwantschap met de roerige stad tijdens de kroning van Beatrix op 30 april 1980. Die gebeurtenis vormt het decor van de proloog De slag om de Blauwbrug van de grote romanserie De tandeloze tijd. De joelende mensenmassa waarin het individu met zijn eigen problemen ronddoolt. De grootse gebeurtenissen die de menigte van alle kanten registreren, maar die de losse individuen niet kunnen vatten. Onbewust spreekt hier een romanconstructie waarin het verhaal van de grote massa onbedoeld het leven van het individu aangrijpt.

Zoals het moment dat Robin van Persie het verhaal binnenkomt en een verbinding aangaat met het leven van Tonio. In de tijd dat Tonio net één jaar oud was, maakten Adri en Mirjam op een camping in Frankrijk kennis met de zusjes Van Persie en hun jongere broertje Robin. ‘Hij kijkt stuurs en laatdunkend naar de verrichtingen van de peuter, die zich in de volle aandacht van zijn zusjes mag verheugen.’ (117)

Als dan 21 jaar later de boot met de spelers van het Nederlands elftal passeert met de topvoetballer Robin van Persie erop, komt de herinnering naar boven:

‘Zonder erover te praten, zagen we nu allebei de zesjarige Robin van Persie voor ons, zoals hij geleund tegen de muur van ons schoolhuis in Marsalès stuurs had staan toekijken hoe zijn beide zusjes de eenjarige Tonio leerden lopen. Zelfs het platgeboomde vlaggenschip van de Nederlandse voetbalkunst ontsnapte vandaag niet aan het pantonionisme.’ (595)

Hier lees ik een roman die zorgvuldig geconstrueerd is. Details vallen samen, er zijn geen losse eindjes. Het verhaal klopt. Als aan het einde een schot valt, moet er aan het begin een pistool op tafel worden gelegd, zei een toneelschrijver eens. Daarmee weet Van der Heijden het zogenaamde persoonlijke leed juist tot een groot aangrijpend verhaal te maken dat iedereen zich kan voorstellen.

Geen einde
Het grote probleem waar Van der Heijden in Tonio mee kampt, is het verhaal zelf. Aan het einde merkt hij op wat hij nu moet? Het verhaal moet een afronding krijgen, maar het heeft geen einde. Het einde is het begin: de dood van Tonio. Maar het einde kent geen begin in zich. Van der Heijden laat de lezer deelgenoot zijn van deze worsteling. Hier vindt een vermenging tussen de wereld van het boek en de wereld van de schrijver zelf plaats. Het boek mag misschien op de lezer de indruk maken van een roman. Hij is het niet, waarschuwt de verteller. Het is een vorm van achteraf construeren. Van der Heijden is zich hier enorm van bewust. De herinnering verdraait, maakt dingen mooier dan ze zijn en weet zelfs een roman uit dagboeknotities te maken.

Of zoals de verteller van Tonio het zegt:

‘We kunnen ons wel blijven volhouden dat we zijn leven tot aan 23 mei 2010 nog hebben om in de herinnering te koesteren, maar dat is niet meer hetzelfde leven dat we van nabij gekend hebben. Het is in al zijn verschijningsvormen aangetast door de dood die het afsneed. Geen herinnering is meer puur en onbevangen. Het geheugen verstikt in de schaduw van Tonio’s vroege einde, en de erin opgeslagen beelden raken in hun vorm en lichtheid aangetast.
Het ergste: de ooit zo zuivere herinneringen worden met terugwerkende kracht verklikkers van de dood. Wat ze voorafgaand aan Pinksteren niet hadden, krijgen ze nu: een voorspellende kracht, die zich in het geheugen van de zich herinnerende openbaart. Ze voorspelen het sterven van de jongen die er de hoofdrol in speelt.
[...]
De dood vervalst en ontwaardt elke herinnering.’ (221-222)

Het maakt dit fragment tot een schrijnend stuk tekst uit Tonio. Tekenend voor het verdriet dat de verteller tot in zijn nerven heeft aangetast. Heel zijn lichaam schreit en elke vezel lijkt zijn naam te willen blijven uitschreeuwen.

Mooi van verdriet
Van der Heijden zal zijn muze een plek moeten geven in zijn nieuwe werk. De plek die Van der Heijden aan Tonio geeft in zijn requiemroman is ongekend. Het boek doet pijn, geeft verdriet en nodigt vanwege het loodzware onderwerp niet uit om te lezen. De schoonheid zit hem in de beleving: in het beleefde en in het geleefde.

Daarmee is Tonio mooi van verdriet. De lezer wordt deelgenoot van het schuldgevoel van Van der Heijden. Alsof het lezen van dit boek niet mag. De schoonheid mag er niet zijn. Je zou het boek willen teruggeven in ruil voor het leven van Tonio. Het maakt het boek daarmee zo verschrikkelijk wrang en rauw. Verdriet dat tot op de komma wordt uitgesproken. Het verhaal is beleefd en doorleefd. Een verhaal dat geen einde kent en tot de diepste vezels van het verdriet doordringt. Dat is Tonio, Een requiemroman.